vorige  |  volgende
wilgenhoutrups  (Cossus cossus)

De rupsen van de forse wilgenhoutrups zijn houtboorders, die meerdere jaren in het hout van loofbomen leven.

Familie

houtboorders (COSSIDAE)
meer informatie over deze familie »


Deze soort is goed tot redelijk goed te determineren, ook voor een serieuze beginner.
Dit verspreidingsbeeld is gebaseerd op waarnemingen die zijn doorgegeven aan De Vlinderstichting of de Werkgroep Vlinderfaunistiek of die online zijn ingevoerd via Waarneming.nl. Het ontbreken van stippen op de kaart betekent niet per se dat de soort op die plek niet voorkomt. Het kan ook betekenen dat de soort er wel zit, maar dat we daar vandaan (nog) geen waarnemingen ontvangen hebben.
  © De Vlinderstichting & Werkgroep Vlinderfaunistiek

Dit vliegtijddiagram is gebaseerd op waarnemingen die zijn doorgegeven aan De Vlinderstichting of de Werkgroep Vlinderfaunistiek of die online zijn ingevoerd via Waarneming.nl.

Kenmerken

Voorvleugellengte: 32-42 mm. Een grote, fors gebouwde houtboorder met een zilverachtig grijsbruine voorvleugel. De vele donkere, grillig vertakte dwarslijntjes op de vleugel lijken net scheurtjes in een boomschors. In rust staat de vlinder hoog op de poten en blijft het borststuk vrij van de grond.

Voorkomen

Een heel gewone soort die verspreid over het hele land voorkomt, vaak in polderlandschappen; er komen meer waarnemingen uit het westen van het land dan uit het oosten.

Habitat

Rivieroevers, moerassen, bosranden, struwelen en graslanden, met een duidelijke voorkeur voor een vochtige omgeving; ook tuinen.

Waardplanten

Diverse loofbomen, met een voorkeur voor eik, wilg en populier.

Vliegtijd en gedrag

Eind april-begin augustus in één generatie. Zowel de mannetjes als de vrouwtjes komen op licht. De vrouwtjes worden soms ook aangetrokken door op bomen aangebrachte smeer. Aangezien ze geen voedsel kunnen opnemen, houden ze de geur waarschijnlijk voor plekken met lekkend sap die zijn ontstaan bij beschadigingen door rupsen: een geschikte plaats om eieren af te zetten.

Levenscyclus

Rups: juli-mei van het derde tot vijfde jaar. De rups leeft onder de schors en in het hout van de waardplant en overwintert twee- tot viermaal; soms vindt de laatste overwintering plaats in een cocon. De rupsengaten zitten laag in de stam (maximaal 1 à 1,5 m boven de grond) en zijn te herkennen aan de aanwezigheid van houtpoeder en de zure geur die de rupsen afscheiden. Soms worden de grote, glimmende en van boven purperrode rupsen kruipend aangetroffen op zoek naar een geschikte plaats om zich buiten de boom te verpoppen. De eieren worden in groepjes afgezet in bastspleten, vaak in de buurt van oude uitkruipgaten van rupsen of van andere beschadigingen.

Laatste wijziging: 5 december 2008


De kaartjes en diagrammen op Vlindernet zijn gebaseerd op de waarnemingen-
bestanden van:
Meer over deze soort:
Foto: Han Klein Schiphorst; collectie Zoölogisch Museum Amsterdam
Foto: Jeroen Voogd
Foto: Piet Peters
Dordrecht - 12 april 2009
 meer foto's »