vorige  |  volgende
bleke novemberspanner  (Epirrita christyi)

Eén van de drie Nederlandse Epirrita's die heel moeilijk van elkaar zijn te onderscheiden.

Familie

spanners (GEOMETRIDAE)
meer informatie over deze familie »


Deze soort is moeilijk tot zeer moeilijk te determineren. Let dus altijd goed op de gelijkende soorten. Soms is genitaliën-
onderzoek nodig voor een zekere determinatie.




Kenmerken

Voorvleugellengte: 14-19 mm. Een spanner met een glanzende grijs- of bruinachtige voorvleugel en een lichte achtervleugel. De voorvleugel is over het algemeen bleker gekleurd dan bij de beide andere Epirrita-soorten en heeft meestal een duidelijk gebandeerd uiterlijk. De V-vormige vlek op de voorvleugel, gevormd door de vertakking van de donkere ader is, indien aanwezig, scherp afgetekend en vrij smal. De kleine, niet altijd aanwezige middenstip is variabel van vorm en ligt duidelijk los van de binnenrand van de donkere buitenste dwarsband. De dwarsband maakt een wijde boog om de middenstip heen in een hoek van altijd meer dan 110°; vooral bij het vrouwtje is dit kenmerk meestal goed te zien. De variatie in de tekening is groot en bij bruine vormen is er soms een bruine middenband aanwezig.

Gelijkende soorten

De novemberspanner (E. autumnata) is meestal bonter getekend en de binnenrand van de buitenste dwarsband loopt in een scherpe hoek (minder dan 90°) om de middenstip heen. Zie ook de herfstspanner (E. dilutata). De genoemde verschillen tussen de drie Epirrita-soorten zijn vaak echter niet betrouwbaar genoeg om de soorten met zekerheid van elkaar te onderscheiden. Voor een zekere determinatie is genitaliënonderzoek nodig.
Zie ook de kleine wintervlinder (Operophtera brumata), de berkenwintervlinder (Operophtera fagata) en de bruine bergspanner (Euphyia frustata).

Voorkomen

Zeldzaam. Wordt slechts af en toe waargenomen, het meest op de zuidelijke Veluwe. RL: ernstig bedreigd.

Habitat

Vooral (oude) bossen en heidevelden.

Waardplanten

Diverse loofbomen, met een sterke voorkeur voor beuk en kleine berken.

Vliegtijd en gedrag

Begin oktober-half november in één generatie. De vlinders komen goed op licht. Overdag zijn ze soms rustend aan te treffen op een beukenstam, waarop ze door hun grijsachtige grondkleur nauwelijks opvallen.

Levenscyclus

Rups: april-juni. De rups verpopt zich in de grond. De soort overwintert als ei op een twijg of op de schors.

Laatste wijziging: 10 oktober 2013


De kaartjes en diagrammen van de nachtvlinders op Vlindernet zijn gebaseerd op de waarnemingen uit 'Noctua', het gegevensbestand van De Vlinderstichting en de Werkgroep Vlinderfaunistiek, dat is samengesteld uit waarnemingenbestanden van onder andere:

N.B. Het ontbreken van stippen op de kaart betekent niet per se dat de soort op de betreffende locatie niet voorkomt. Het kan ook betekenen dat de soort er wel is waargenomen, maar dat een ingevoerde waarneming nog niet is gevalideerd, of dat we van die plek (nog) geen waarnemingen voor Noctua ontvangen hebben.
Meer over deze soort:
Foto: Han Klein Schiphorst; collectie Naturalis Biodiversity Center Leiden
Foto: Jeroen Voogd
Voor vrijwel alle exemplaren uit het geslacht Epirrita geldt dat ze op grond van vleugelkenmerken niet tot op soortniveau zijn te determineren. Vanwege de vindplaats, een beukenbos op de Veluwe, behoort dit mannetje waarschijnlijk tot Epirrita christyi.
 meer foto's »

De Vlinderstichting beschermt vlinders en libellenOp Vlindernet vind je alles over vlindersOp Libellennet vind je alles over libellen