
zwartsprietdikkopje (Thymelicus lineola)
Het zwartsprietdikkopje breidt zich uit, maar de aantallen vlinders op de vliegplaatsen nemen af. Familiedikkopjes (HESPERIIDAE)meer informatie over deze familie » ![]() ![]() ![]() Let bij het determineren van deze soort altijd goed op de gelijkende soorten. © De Vlinderstichting & Werkgroep Vlinderfaunistiek KenmerkenVoorvleugellengte: 12-14 mm. De vleugels zijn lichtbruim tot geel zonder tekening op de bovenkant van de vleugels. De geurstreep van het mannetje loopt evenwijdig aan de aders op de voorvleugel. Op de onderkant van de voorvleugel heeft de vleugelpunt dezelfde kleur als de rest van de vleugel. De onderkant van de sprietknop is zwart.Gelijkende soortenZie het geelsprietdikkopje.VoorkomenEen algemene standvlinder die vrijwel overal voorkomt, alleen wat schaarser in delen van het rivierengebied, de Flevopolders, het Utrechts veenweidegebied en in Noord-Holland.HabitatGraslanden en ruigten met overjarige grassen en nectarrijke kruiden, vaak langs bosranden en in bermen of op dijken.WaardplantenVerschillende grassoorten waaronder gladde witbol, kropaar, timoteegras en kweek, die groeien op zonnige plaatsen.Vliegtijd en gedragEind juni-eind augustus in één generatie. De vlinders besteden veel tijd aan het drinken van nectar. Belangrijke nectarplanten zijn slangenkruid, akkerdistel en moerasrolklaver. De mannetjes worden ook vaak drinkend bij modderpoelen, waterkanten of uitwerpselen waargenomen.LevenscyclusRups: half april-half juli. Vanuit een zelfgemaakt kokertje zoekt de rups zijn voedsel. De verpopping vindt plaats in een cocon van bladeren aan de basis van de waardplant. De platte, witte eieren worden in kleine groepjes afgezet in bladscheden van breedbladige grassen. De soort overwintert als ei.Laatste wijziging: 14 juni 2010 De kaartjes en diagrammen op Vlindernet zijn gebaseerd op de waarnemingen- bestanden van: ![]() |
Meer over deze soort:
Foto: Bernard Fransen; collectie Jaap Poot mannetje bovenkant Foto: Mary van Steeg Foto: Bert van Rijsewijk |
||


