De VlinderstichtingVlindernet
Help de vlinders
Dé informatiesite voor alle in Nederland voorkomende dagvlinders en macronachtvlinders

De geschiedenis van het Nederlandse (macro) vlinderonderzoek.

W.N. (Willem) Ellis - Werkgroep Vlinderfaunistiek

De eerste vlinderaars in Nederland
De belangstelling voor vlinders in Nederland krijgt voor het eerst in de 17e eeuw een gezicht met een schilder van bloemstillevens, en vervolgens met een arts en een freelance onderzoekster. Baanbrekend was het werk van de Middelburgse schilder Johannes Goedaert (1620-1668). Zijn opvolgers waren de arts Stephen Blankaart (1650-1702) en de onderzoekster Maria Sybilla Merian (1647-1717). Geen van drieën was erg geïnteresseerd in wat wij systematiek zouden noemen. Wat hen alle drie in de eerste plaats bezig hield was de metamorfose, het verband tussen rups en vlinder. Alle drie kweekten ze rupsen en maakten afbeeldingen van de verschillende stadia; hun interesse ging overigens ook uit naar larven van andere insectengroepen.
Een heel andere insteek had Pieter Lyonet (1706-1789) die, zonder dit in een of ander kader te plaatsen, een boek van bijna zeshonderd pagina's publiceerde over de anatomie van de wilgenhoutrups. De platen, die hij zelf graveerde, zijn zo perfect dat ze nog steeds af en toe in moderne handboeken worden gereproduceerd.
 

Figuur 1: Een van de platen uit deel drie van Merian's Rupsenboek (1717). (bron afbeelding: bibliotheek NEV Amsterdam)

 
Meer over Maria Sybilla Merian en haar werk kunt u lezen in het artikel 'Vrouwenlevens tussen kunst en wetenschap' dat verschenen is in het tijdschrift Vlinders in februari 2008.
 

Beschouwingen der wonderen Gods, in de minst geachte schepselen.

Uit een combinatie van vroomheid en entomologische belangstelling begon Christiaan Sepp in 1754 een boek met de titel "Beschouwingen der wonderen Gods, in de minst geachte schepselen of Nederlandsche insecten....". Hij was zowel schrijver en illustrator als uitgever. Het boek verscheen, zoals in die tijd gebruikelijk was, in losse afleveringen. Uiteindelijk bleef het niet bij één boek, maar groeide het werk uit tot een reeks die door bleef lopen tot in 1925 [1]. De rol van Christiaan werd later overgenomen door zijn zoon Jan Christiaan en vervolgens door diens zoon Jan.
 

Oprichting Nederlandse Entomologische Vereniging (NEV)

Op 4 oktober 1845 wordt in café Groot Keizerhof op de Nieuwendijk te Amsterdam door 24 aanwezigen de Nederlandse Entomologische Vereniging opgericht. Jan Sepp is een van de stichters van deze vereniging [2], maar er waren meer lepidopterologen bij betrokken. Enkelen van hen zijn A.J. d’Ailly, J.W. en W.A. Lodeesen, M.C. Verloren van Themaat en de gepensioneerde kapitein der marine Q.M.R. Ver Huell. Deze laatste had kort daarvoor een handboek voor liefhebbers en verzamelaars van vlinders gepubliceerd.
 

Oude faunisten

Al vroeg worden pogingen gedaan de fauna van Nederland in kaart te brengen. In de 18e eeuw publiceert Martinus Houttuyn in 37 delen een overzicht van de gehele natuurlijke historie (fauna, flora en geologie). Het werk gaat niet uitsluitend over Nederland, maar door de nationaliteit van de schrijver komt de fauna van ons land toch goed aan bod. Een werkelijke naamlijst van de Nederlandse insecten verschijnt een halve eeuw later, door Bennet & van Olivier (1825), al snel gevolgd door een aantal aanvullingen van Nicolaas Anslijn (1826-1831). Vreemd genoeg lijken deze naamlijsten later geheel te zijn vergeten, en pas in de twintigste eeuw te zijn herontdekt.
 

De ‘Bouwstoffen voor eene fauna van Nederland’

In 1851, kort na de oprichting van de Nederlandse Entomologische Vereniging, maakt J.A. Herklots, een van de conservatoren van ‘s Rijks Museum van Natuurlijke Geschiedenis (het huidige Naturalis in Leiden) zich boos. Hij fulmineert:
‘Het is eene erkende waarheid, dat de beoefening der Dierkunde, en wij bedoelen hier meer bepaald de practische beoefening, in ons Vaderland beperkt, uiterst beperkt is; dat als gevolg, de kennis, die wij hebben van de dierenwereld, te midden van welke wij leven, op zeer lagen trap staat.’
Om hieraan tegemoet te komen begint hij een tijdschrift: de ‘Bouwstoffen voor eene fauna van Nederland’. De Bouwstoffen verschijnen slechts kort (1851-1866), maar bereiken veel, niet in het minst waar het de vlinderfauna betreft. Al in het eerste nummer verschijnt een naamlijst van de Nederlandse vlinders, door H.W. de Graaf. Die is duidelijk gebaseerd op nog maar een gering aantal waarnemingen van een beperkt aantal vlinderaars, maar in twee latere aanvullingen (1853 en 1856) is dat aantal al sterk toegenomen. Belangrijke verzamelaars uit die tijd zijn: A.J. van Eyndhoven, L.J. Havelaar, H.C. Medenbach de Rooy en E.A. de Roo van Westmaas. Later komen daar nog J. Kinker, F.J.M. Heylaerts, J.C.J. en N.A. de Joncheere, de Friese jurist H. Albarda en de twee Limburgers A.H. Maurissen uit Maastricht en A. van den Brandt uit Venlo bij.
 

Snellen

De Graaf publiceert vervolgens in de Bouwstoffen enkele overzichten van Microlepidoptera. Bij het laatste overzicht (1866) krijgt hij gezelschap van P.C.T. Snellen. Inmiddels verschijnt van de NEV sinds 1858 het ‘Tijdschrift voor Entomologie’ en samen publiceren ze daarin een aantal kortere artikelen totdat De Graaf schrijft het stokje definitief over te dragen aan Snellen.
In die tijd (1867) verschijnt namelijk Snellen’s boek ‘De vlinders van Nederland: Macrolepidoptera’; later zullen nog twee delen over de micro’s volgen. Op dat moment kan gezegd worden dat, details daargelaten, de vlinderfauna van Nederland qua soortensamenstelling met 618 soorten macro’s redelijk volledig bekend is. En dat nauwelijks 15 jaar na Herklots’ tirade!
 


 

Figuur 2: Snellen in het zonnetje (bron afbeelding: bibliotheek NEV Amsterdam)

 
bij figuur 2
Portretten en geschriften van entomologen uit de tijd van Snellen doen vermoeden dat ze een saai en plechtstatig gezelschap vormden. Dat is niet helemaal juist. Vele jaren was het bijvoorbeeld binnen de Nederlandse Entomologische Vereniging gebruikelijk dat ter voorbereiding van het jaarlijkse gemeenschappelijke excursieweekend (de zomervergadering) een lied werd geschreven dat door de vergadering ten gehore werd gebracht. Onderwerp was dan bijvoorbeeld het noodweer tijdens de vorige bijeenkomst; vaak ook werd een aanwezig lid vriendelijk op de korrel genomen. Hier stond Snellen in het zonnetje.

 

Ter Haar

Misschien wel door de tevredenheid met dit resultaat wordt het daarna langdurig stil. Pas tussen 1899 en 1904 verschijnt bij uitgeverij Thieme, ook weer in afleveringen, een boekje van Dirk ter Haar, ‘Onze vlinders’. Rond 1911 (het juiste verschijningsjaar is niet bekend) komt er een nieuwe druk, met bijna tweemaal zo veel platen; later volgen er nog enkele ongewijzigde drukken. Gedurende ruim een halve eeuw zal dit voor Nederlandse vlinderaars verreweg het belangrijkste boek in de eigen taal zijn. Weliswaar probeert A. Brants tussen 1905 en 1925 nog om de ‘Beschouwingen’ van Sepp voort te zetten, maar de opzet daarvan is voor die tijd dan te luxueus en de poging strandt.
 

Figuur 3: kweekjournaal van mr. Arie Brants (bron afbeelding: bibliotheek NEV Amsterdam)

 
bij figuur 3
Mr. Arie Brants behoorde nog tot de generatie waar kweken een belangrijk onderdeel was van het kijken naar vlinders. Hij illustreerde zijn kweekjournaal (nu in de bibliotheek van de Nederlandse Entomologische Vereniging) vaak met prachtige gedetailleerde tekeningen.

 

Verzameltechnieken en collecties

Intussen begint ook de techniek van het verzamelen te veranderen. Tot in de tijd van Ter Haar werden vlinders verzameld met het net (meestal geklopt) of werden ze verzameld op smeer. Ook kweken was populair, misschien wel omdat het zulke gave exemplaren voor de collectie opleverde. Maar dan doet het elektrisch licht zijn intrede, zoals onder andere blijkt uit twee artikelen van Oudemans (1915 en 1927).
J.Th. Oudemans was lid van een dynastie van biologen en met hart en ziel entomoloog. Gedurende ongeveer de helft van zijn leven was hij president van de Nederlandse Entomologische Vereniging. Hij verdeelde zijn aandacht tussen vlinders en bladwespen. Niet belemmerd door ruimte- of geldgebrek heeft hij een aantal belangrijke vlindercollecties na het overlijden van de verzamelaar aangekocht. Na zijn eigen overlijden is dit gehele materiaal gelegateerd aan het Zoölogisch Museum te Amsterdam, dat mede daardoor (maar ook door de aanwezigheid van Lempke) uitgroeide tot de belangrijkste collectie van Nederlandse macrovlinders.
 

Lempke

B.J. Lempke (slechts weinige nabije vrienden noemden hem Barend) was een Amsterdams onderwijzer. Al vrij snel na de oprichting van Entomologische Berichten, het tweede tijdschrift van de NEV, dat vooral bedoeld is voor kortere faunistische artikelen, werd hij daarvan de redacteur. In die rol heeft hij veel aankomende vlinderaars gestimuleerd hun waarnemingen te publiceren. Omdat hij zich realiseerde dat verzamelaars er geen idee van hadden hoe zeldzaam of gewoon de vlinders die ze waarnamen waren, of hoe hun waarnemingen pasten in een landelijk beeld, begon hij in 1936 met een Catalogus der Nederlandse Macrolepidoptera, in de vorm van grote artikelen in het Tijdschrift voor Entomologie. Nadat de serie in 1952 met elf delen compleet was volgden vanaf 1962 nog 16 supplementen, het laatste in 1970. Ter voorbereiding van al deze delen reisde hij het hele land af om bij verzamelaars thuis hun collectie te bekijken, te helpen met determinaties en om verspreidingsgegevens te noteren.
 

Trekvlinderregistratie

Tussen 1930 en 1950 ontstond er in Europa grote belangstelling voor het verschijnsel vlindertrek [3]. Daardoor gestimuleerd organiseerde Lempke in 1940 bij wijze van proef een landelijke trekvlindertelling. Ondanks de oorlog was dit zo succesvol dat dit het begin vormde van de jaarlijkse trekvlinderregistratie. In 2005 verscheen daarvan het 63e verslag, maar dat was niet meer van Lempke; in 1987 heeft hij deze activiteit overgedragen aan Rob de Vos van het Zoölogisch Museum in Amsterdam. Rond die tijd verscheen ook Lempke’s laatste grote publicatie, een boek over de vlinders van Friesland (1985).
Tegenwoordig behoort het Trekvlinderonderzoek tot de taken van de Werkgroep Vlinderfaunistiek (WVF); over de resultaten wordt jaarlijks gerapporteerd in het tijdschrift Entomologische Berichten.
 

Vormen

In de zestiger jaren was er in de systematische zoölogie een opleving in de belangstelling voor soortvorming. Met name de rol van geografische variatie daarbij werd snel duidelijk. Lempke, en hij niet alleen, raakte daardoor gefascineerd door individuele variatie binnen de soort. In korte tijd werden honderden wetenschappelijke namen voor vormen (‘formae’) gepubliceerd, die tegenwoordig als niet belangrijk terzijde worden geschoven. Het nadeel van deze periode was dat de nomenclatuur belast werd met een groot aantal overbodige namen. Het voordeel was achteraf dat hierdoor van gewone soorten veel meer materiaal is verzameld en geregistreerd dan anders het geval zou zijn geweest.
 

Belangrijke recente gebeurtenissen op vlindergebied

Uit de tijd na Lempke verdienen vier gebeurtenissen nog een vermelding met jaartal:
  • 1983: oprichting van De Vlinderstichting
  • 1998: oprichting van de Sectie Ter Haar van de Nederlandse Entomologische Vereniging, gewijd aan macro’s
  • 2002: oprichting van de Werkgroep Vlinderfaunistiek
  • 2006: publicatie van NACHTVLINDERS, de Nederlandse vertaling en bewerking van de Engelse determinatiegids voor nachtvlinders van Paul Waring en Martin Townsend.
 

Overige gebruikte literatuur

  • Schou-burg der rupsen, wormen, ma’den en vliegende dierkens daar uit voorkomende: door eigen ondervindinge by een gebragt. [4]
  • Metamorphosis naturalis, ofte historische beschryvinge van den oirspronk, aerd, eygenschappen ende vreemde veranderingen der wormen, rupsen, maeden, vliegen, sprinck-hanen, witjens, byen, motten ende diergelijcke dierkens meer; niet uyt eenige boecken, maer door eigen ervarentheyt uytgevonden, beschreven, en na de konst afgeteikent. [5]
  • Nederlandsche schubvleugelige insekten (Lepidoptera). [6]
  • Aanvulling der Nederlandsche schubvleugelige insekten (Lepidoptera). [7]
  • Tweede aanvulling der Nederlandsche schubvleugelige insekten. [8]
  • Microlepidoptera in Nederland waargenomen. [9]
  • Onze vlinders. [10]
  • Onze vlinders. 2/e bewerkt naar, Lampert, Grossschmetterlinge und Raupen Mittel-Europa’s door PM Keer. [11]
  • Handboek voor liefhebbers en verzamelaars van vlinders. [12]
  • De Nederlandse trekvlinders. [13]
  • De vlinders van Friesland. [14]
  • Traité anatomique de la chenille, qui ronge le bois de saule, augmenté d’une explication abregée des planches, et d’une description de l’instrument et des outils dont l’auteur s’ est servi, pour anatomiser à la loupe & au microscope, & pour determiner la force de ces verres, suivant les règles de l’optique & mechaniquement. [15]
  • Der rupsen begin, voedzel en wonderbaare verandering: waar in de oorspronk, spys en gestaltverwisseling, als ook de tyd, plaats en eigenschappen der rupsen, wormen, kapellen, uiltjes, vliegen, en andere diergelyke bloedelooze beesjes vertoond word: ten dienste van alle liefhebbers der insecten, kruiden, bloemen en gewassen, ook schilders, borduurders, &c.: naauwkeurig onderzogt, na ‘t leven geschildert, in print gebragt, en in ‘t kort beschreven. [16]
  • Nachtvangsten van Lepidoptera op licht. [17]
  • Vlindervangst met behulp van electrisch licht. [18]
  • Beschouwingen der wonderen gods, in de minstgeachte schepselen of Nederlandsche insecten, in hunne aanmerkelijke huishouding, verwonderlijke gedaanteverwisseling, en andere wetenswaardige bijzonderheden, volgens eigen ondervinding beschreven, naar ‘t leven naauwkeurig getekend, in ‘t koper gebragt en gekleurd. [19]
  • De vlinders van Nederland: Macrolepidoptera systematisch beschreven. [20]
  • Nachtvlinders: veldgids met alle in Nederland en België voorkomende soorten. [21]
 

1. ^ Kniest, M. (1987) volledige titelbeschrijving
2. ^ Wulp, F.M. van der (1895) volledige titelbeschrijving
3. ^ Williams, C.B. (1930) volledige titelbeschrijving
4. ^ Blankaart, S. (1688) volledige titelbeschrijving
5. ^ Goedaert, J. ; Mey, J. de ([1664-1669]) volledige titelbeschrijving
6. ^ Graaf, H.W. de (1853 (1ste stuk, uitgegeven in November 1851)) volledige titelbeschrijving
7. ^ Graaf, H.W. de (1853 (4de stuk, uitgegeven in Juli 1853)) volledige titelbeschrijving
8. ^ Graaf, H.W. de (1858 (2de stuk, uitgegeven in Juni 1856)) volledige titelbeschrijving
9. ^ Graaf, H.W. de (1866) volledige titelbeschrijving
10. ^ Haar, D. ter (1904) volledige titelbeschrijving
11. ^ Haar, D. ter; Keer, P.M. ([1911]) volledige titelbeschrijving
12. ^ Ver-Huell, Q.M.R. (1842) volledige titelbeschrijving
13. ^ Lempke, B.J. (1972) volledige titelbeschrijving
14. ^ Lempke, B.J. (1985) volledige titelbeschrijving
15. ^ Lyonet, P. (1760) volledige titelbeschrijving
16. ^ Merian, M.S. ([1669-1718] of? [1713-1778]) volledige titelbeschrijving
17. ^ Oudemans, J.Th. (1915) volledige titelbeschrijving
18. ^ Oudemans, J.Th. (1927) volledige titelbeschrijving
19. ^ Sepp, J.C. (1762-1860) volledige titelbeschrijving
20. ^ Snellen, P.C.T. (1867) volledige titelbeschrijving
21. ^ Waring, P.; Townsend, M. (tekst); Lewington, R. (ill.); Groenendijk, M.; Meulen, J. van der (vertaling en bewerking); Groenendijk, D. (eindredactie) (2006) volledige titelbeschrijving

Laatste wijziging: 28 april 2011
Figuur 1: Een van de platen uit deel drie van Merian's Rupsenboek (1717). Het beeldt de metamorfose af van de distelvlinder. Merian zag dat er soms ook wespjes uit de rups kwamen, in dit geval Cotesia vanessae (Reinhard), een Braconidae.
bij figuur 1
Merian was geen kunstschilder, zoals vaak wordt gezegd, ze maakte geen schilderijen. Ze was onderzoeker en uitgever van boeken. Ze maakte aquarellen van de bevindingen uit haar onderzoek naar de metamorfose van hoofdzakelijk vlinders, bracht die in prent, drukte de boeken en verkocht ze. Ze correspondeerde met de geleerden uit haar tijd. Ze kon goed tekenen, maar dat was niet het doel van haar werk. Je zou haar een freelance onderzoekster moeten noemen.
De plaat toont nóg een stukje biologie: de gele banden over het blad zijn het werk van een bladmineerder, Phytomyza spinaciae Hendel, een vliegje van de familie Agromyzidae.

Meer over Maria Sybilla Merian en haar werk kunt u lezen in het artikel 'Vrouwenlevens tussen kunst en wetenschap' dat verschenen is in het tijdschrift Vlinders in februari 2008.


De Vlinderstichting beschermt vlinders en libellenOp Vlindernet vind je alles over vlindersOp Libellennet vind je alles over libellen