Levenscyclus

Rupsen en waardplanten

Vlinders planten zich voort door eieren af te zetten, waaruit later de rupsen tevoorschijn komen. De rups is een soort ‘eetmachine’: in dit stadium wordt gezorgd voor voldoende energie en gewicht om uit een klein eitje een vlinder te laten voortkomen. Over het algemeen eten de rupsen van de bladeren van de waardplant. Er zijn ook soorten die eten van de bloemen of de vruchten en sommige rupsen boren zich naar binnen in de stengel of in de wortel.
 

Monofaag, oligofaag en polyfaag

Veel rupsen zijn monofaag of oligofaag, wat betekent dat ze zijn gespecialiseerd in respectievelijk één plantensoort of één plantenfamilie; ze gaan vaak nog liever dood dan dat ze zouden eten van een andere plant. Polyfage soorten stellen weinig eisen aan de waardplant en zijn op allerlei planten aan te treffen. Sommige rupsen zijn kannibalistisch; de meeste daarvan vertonen echter alleen kannibalistisch gedrag in gevangenschap of als er te weinig plantaardig voedsel is. Enkele soorten, zoals bijvoorbeeld de wachtervlinder (Eupsilia transversa) en de hyena (Cosmia trapezina), eten zelfs soortgenoten of rupsen van andere soorten als er wel voldoende voedselaanbod is. Een veel gebruikte term voor kannibalistische rupsen is moordrups.
 

Vervelling en verpopping

Tijdens zijn ontwikkeling moet de rups enkele malen vervellen omdat de huid niet meegroeit. Voordat de rups uit de oude, te klein geworden huid barst, is daaronder al een nieuwe huid gemaakt die na de vervelling uithardt. Dit gebeurt over het algemeen vier keer, waarna uiteindelijk de pophuid tevoorschijn komt. Veel rupsen verlaten de waardplant om zich in de grond of in de strooisellaag te verpoppen. Er zijn ook soorten die zichzelf vasthechten aan de waardplant; dit kan op verschillende manieren. Sommige soorten spinnen een zijdeachtige cocon, vaak tussen bladeren of achter schors. Er zijn ook soorten die zich binnen in de waardplant verpoppen, altijd dicht bij een uitkruipgat dat van tevoren door de rups gemaakt is.
 

Van pop tot imago

Binnen in de pop vindt de metamorfose plaats naar het totaal andere uiterlijk van de vlinder. Vers uitgekomen vlinders laten hun vleugels ontvouwen naar hun functionele grootte door er bloedvloeistof (haemolymfe) in te pompen, waardoor ze na uitharding in staat zijn om te vliegen.
 

Voortplantingsstadium

De vlinder vormt het voortplantingsstadium van de soort en bij de meeste vlinders gaan de mannetjes op zoek naar een vrouwtje om daarmee te paren (bij sommige soorten is het andersom en gaat het vrouwtje op zoek naar een mannetje). Ze doen dit door af te gaan op seksgeurstoffen (feromonen) die paringsbereide vrouwtjes verspreiden; vaak herkennen ze een vrouwtje pas op het gezicht als ze haar tot dichtbij genaderd zijn. De paring vindt soms al plaats voordat de vleugels van het vrouwtje zijn uitgehard. Er zijn ook soorten waarbij het mannetje de cocon van het vrouwtje opzoekt en gewoon gaat zitten wachten tot ze uitkomt; ook de cocon vindt het mannetje door af te gaan op feromonen, die dus al voor het uitkomen verspreid worden. Andere vlinders komen uit terwijl de geslachtsorganen nog niet volgroeid zijn en moeten eerst eten of een periode van rust ondergaan voordat de paring kan plaatsvinden.
 

Eiafzet

De belangrijkste taak van het vrouwtje is om een geschikte locatie te vinden om de eieren af te zetten. Deze plek moet niet alleen veilig zijn voor de eieren, maar moet ook voldoende voedsel bieden voor de jonge rupsen. Een vrouwtje zet soms meer dan honderd of zelfs duizend eieren af. De vrouwtjes verwijderen zich meestal niet ver van de waardplant, vooral niet in het stadium van de ei-afzetting. Ze besteden vaak veel tijd aan het vasthechten van de eieren aan de waardplant; de eieren worden afzonderlijk of in groepjes afgezet. Er zijn ook soorten waarvan de vrouwtjes de eieren rondstrooien boven de vegetatie; de rupsen moeten dan zelf op zoek gaan naar de geschikte waardplant; meestal zijn dit polyfage soorten.
 

Voedsel voor de vlinder

De meeste soorten vlinders hebben een roltong om vloeibaar voedsel op te nemen; er zijn soorten waarbij alleen het mannetje voedsel opneemt, maar ook soorten waarvan zowel de mannetjes als de vrouwtjes op zoek gaan naar voedsel. Ze foerageren op zoete substanties, zoals nectar uit bloemen, honingdauw die door bladluizen uitgescheiden wordt en sap van bloedende bomen. Bij een aantal soorten is de roltong gereduceerd of niet ontwikkeld; zij leven op de energievoorraad die is aangelegd in het rupsenstadium en die bestaat uit vetten en koolhydraten.
 

Nieuw leefgebied

Voor veel soorten is het volwassen stadium het meest geschikt om uit te zwerven en nieuw leefgebied te koloniseren. Sommige soorten vlinders vliegen zeer grote afstanden; ze verlaten hun oorspronkelijke voortplantingsgebied in Zuid-Europa en komen in wisselende aantallen per jaar als trekvlinder naar Nederland. Er zijn ook soorten die zich als vlinder hooguit slechts enkele honderden meters verplaatsen. De duur van het volwassen stadium varieert van enkele dagen tot twee of drie weken; soorten die als vlinder overwinteren leven zelfs een aantal maanden.
Er zijn ook soorten die zich verspreiden in het rupsenstadium. De kleine rupsjes van sommige soorten donsvlinders (Lymantriidae) en spanners (Geometridae) laten zich met behulp van spinseldraden over aanzienlijke afstanden meevoeren met de wind. Eieren en poppen kunnen soms via plantaardig materiaal of menselijk toedoen gemakkelijk honderden meters (of nog verder) van de waardplant verwijderd raken.
 

Laatste wijziging: 8 september 2008
eieren van de dennenspinner (Dendrolimus pini)
Foto: Jeroen Voogd
rups van de dennenspinner (Dendrolimus pini)
Foto: Jeroen Voogd
pop van de dennenspinner (Dendrolimus pini)
Foto: Jeroen Voogd
dennenspinner (Dendrolimus pini)
Foto: Jeroen Voogd
eieren van de dennenspinner (Dendrolimus pini)
Foto: Jeroen Voogd
rups van de dennenspinner (Dendrolimus pini)
Foto: Jeroen Voogd
pop van de dennenspinner (Dendrolimus pini)
Foto: Jeroen Voogd
dennenspinner (Dendrolimus pini)
Foto: Jeroen Voogd