vorige  |  volgende
bruin blauwtje  (Aricia agestis)

De rups

Familie

blauwtjes (LYCAENIDAE)

Levenscyclus

Rups: begin juni-half juli en half augustus-eind april. De soort overwintert als halfvolgroeide rups in de strooisellaag. De jonge rups eet de onderzijde van het weefsel van het blad en beschadigt de bovenste bladlaag niet; deze mineergang is vrij opvallend. Grotere rupsen eten van het volledige blad, de bloemen en de vruchten van de waardplant. De verpopping vindt plaats in de strooisellaag vlak bij de waardplant.

Uiterlijk van de rups volgens
'Thieme's rupsengids' van D.J. Carter en B. Hargreaves

Tot 11 mm; vrij dik, naar de uiteinden versmald; lichaam groen met over de rug een purperachtig groene middenstreep met aan weerszijden een aantal donkergroene, schuine strepen; onder de spiracula loopt een gele, met rood afgezette lengtestreep; kop zwart, in het lichaam teruggetrokken.

Voorkomen

Een vrij schaarse standvlinder die tegenwoordig vooral nog voorkomt in de duinen en in opspuitterreinen in Zeeland en Noord- en Zuid-Holland. Langs de grote rivieren is het bruin blauwtje op veel plaatsen verdwenen, maar lokaal komt hij daar nog wel voor. In Zuid-Limburg heeft de soort enkele populaties, die aansluiten bij het voorkomen in Duitsland en België.

Habitat

Droge, zandige, open, kruidenrijke en schrale graslanden en kalkgraslanden.

Waardplanten

Diverse soorten ooievaarsbek, met name kleine ooievaarsbek en gewone reigersbek.

Laatste wijziging: 22 juli 2008