vorige  |  volgende
sleedoornpage  (Thecla betulae)

De rups

Familie

blauwtjes (LYCAENIDAE)

Levenscyclus

Rups: eind augustus-half mei. Jonge rupsen eten van het binnenste van een bladknop, grotere rupsen eten van de bladeren. De verpopping vindt plaats in de strooisellaag. De soort overwintert als ei. De eitjes zijn wit en plat en hebben een ribbelpatroon: een soort golfballetje. Ze zijn vooral in de winter en het vroege voorjaar te vinden op de grens van oud en jong hout in de oksels van sleedoorntakken.

Uiterlijk van de rups volgens
'Thieme's rupsengids' van D.J. Carter en B. Hargreaves

Tot 18 mm; vrij breed en plomp, naar de uiteinden afgeplat, sterk ingesneden tussen de segmenten; lichaam groen, tussen de segmenten witachtige insnijdingen; over de rug lopen twee geelachtig witte strepen die naar de kop uiteenlopen; op de flanken een aantal schuine, geelachtig witte strepen; kop zwartachtig bruin, in het lichaam teruggetrokken.

Voorkomen

Een zeldzame standvlinder die vooral voorkomt langs de randen van de Veluwe, in Zuid-Limburg en op de Utrechtse Heuvelrug. Daarbuiten enkele recente waarnemingen in Overijssel en de Flevopolder.

Habitat

Sleedoornstruwelen, houtwallen en bosranden. De laatste jaren lijkt het leefgebeid steeds meer te verschuiven naar tuinen en parken in stedelijk gebied.

Waardplanten

Sleedoorn.

Laatste wijziging: 21 juli 2008