vorige  |  volgende
groot koolwitje  (Pieris brassicae)

De rups

Familie

witjes (PIERIDAE)

Levenscyclus

Rups: eind mei-half juli en half augustus-begin oktober. Jonge rupsen leven in groepen en eten vooral van de bladranden; grotere rupsen leven solitair. De rupsen worden vaak geparasiteerd door sluipwespen. De verpopping vindt plaats onder een natuurlijk of kunstmatig dakje. De soort overwintert als pop, hangend tegen een boomstam of een muur.

Uiterlijk van de rups volgens
'Thieme's rupsengids' van D.J. Carter en B. Hargreaves

Tot 40 mm; lichaam bleekgroen, sterk zwart gespikkeld op de rug en minder sterk op de flanken; een gele lengtestreep over het midden van de rug en een lichtgele streep over de spiracula; kop grijsachtig groen met zwarte tekening.

Voorkomen

Een zeer algemene standvlinder die verspreid over het hele land voorkomt.

Habitat

Vooral bosranden, houtwallen, ruigten, (moes)tuinen, parken en bloemrijke graslanden.

Waardplanten

Zowel wilde als gecultiveerde kruisbloemigen, waaronder look-zonder-look, zandraket, zeekool, damastbloem (in tuinen) en allerlei koolsoorten (in moestuinen).

Laatste wijziging: 18 juni 2008